Een paar jaar terug. Op de deurmat ligt een bubbeltjesenveloppe met mijn naam erop gestift. ‘t Is van mijn ex, dat verraadt het handschrift gelijk. Het begeleidende briefje toont geen enkele emotie, behalve een kil en te snel opgeschreven ‘dit moet je eens luisteren’. Tussen de bubbels wacht een gebrande verzamelcd van Interpol, The Cure en The Smiths, en in een apart hoesje de debuutcd van The Killers Hot Fuss. De eerste cd heb ik nog…ergens. De tweede staat sindsdien standaard op zijn vaste plek: vlak naast mijn cdspeler, waar sinds vorig jaar ook de tweede cd van The Killers bij is gekomen Sams Town.
Er is gek genoeg sinds de bubbeltjesenveloppe maar één band waar ik écht fan van ben. En gisteren mocht ik ze eindelijk live zien optreden in de Heineken Music Hall. Een redelijk contactgestoorde zanger, die geen woord tegen het publiek zegt, lekker houterig over het podium zwalkt, flink de tijd neemt tussen nummers om even op adem te komen, maar in één woord: wauw. Live klinken ze (zo mogelijk) nog beter dan op de plaat.
Sinds gister ben ik eruit: mocht ik ooit in een vuige mislukte maffiadeal verzeild raken, waar ik met messen op mijn adamsappel en revolvers op mijn slaap gedwongen wordt een rugbedekkende tatoeage te laten zetten, dan wordt ‘t waarschijnlijk het logo van The Killers.

..oh en okee, de volgende keer neem ik een echte camera mee. Want wat er uit mijn telefoon aan plaatjes komt is pulp. Excuus.